Onbevangen praten over Nederlands-Indië

20150523_161941
Boeken over Nederlands-Indië geschreven door oud-kolonialen

23 mei 2015. Tot eind jaren negentig wemelde het in Nederland van de tweedehands boekwinkels en (quasi-) antiquariaten. Ik was in die tijd regelmatig op zoek naar boeken die de koloniale tijd in zijn context beschreven (door de ogen van de tijdgenoten). Met andere woorden, boeken die nog niet beïnvloed waren door politieke correctheid of uitblonken in het geautomatiseerd inbeuken op het kolonialisme. Zo stapte ik in die tijd een keer een antiquariaat in Zeist binnen. Ik was de enige klant en een mevrouw, die bij mijn binnenkomst nog vredig lezend achter een wankel tafeltje had gezeten, stond op en keek mij met haar vorsende blik aan.

Ik begroette haar en voegde daar meteen een vraag aan toe, ‘Hebt u boeken over Nederlands-Indië (http://nl.wikipedia.org/wiki/Nederlands-Indi%C3%AB)?’
Ze zette grote ogen op, ‘Het vòòrmálig Nederlands-Indië zult u bedoelen.’
Het kwam bij mij binnen als een terechtwijzing. Ik bracht even niets uit – in die tijd liep ik sowieso rond met een hoofd vol dromerige gedachten en flarden van embryonale verhalen, wat mijn assertiviteit en scherpte niet ten goede kwam. En daarnaast was ik domweg te beduusd over deze venijnige uithaal, waardoor ik er niet op reageerde. ‘Waar kan ik die boeken over Nederlands-Indië vinden?’
De vrouw deed een paar grote stappen in mijn richting, wervelde met haar ruim zittende kleren langs mijn neus voorbij, kwam tot stilstand aan het eind van de rij boekenkasten en wees op een hoekje helemaal rechts onderin, ‘Dit zijn al onze boeken over het voormalig Nederlands-Indië.’
Ik zonk op mijn knieën en begon met het analyseren van een twintigtal koloniale boeken.

COLLECTIE_TROPENMUSEUM_Het_vliegveld_Tjililitan_bij_Batavia_TMnr_10018517
Het vliegveld Tjililitan te Batavia in de jaren dertig met Nederlandse kolonialen (collectie Tropenmuseum).

Nauwelijks een paar weken later zat ik in een vliegtuig van Zürich naar Amsterdam naast een oudere dame die – naar mijn inschatting – dik over de tachtig was. Ze had de air van oude chic over zich. Terwijl we opstegen tuurde ze naar het verdwijnende Zwitserse landschap, ‘Het stijgen vind ik minder erg dan het landen.’
‘U hebt vast al heel wat keren het stijgen en landen meegemaakt,’ flapte ik eruit.
Ze keek me verschrikt aan en ik besefte dat ik met mijn ondoordachte en spontane opmerking een onbedoelde toespeling op haar leeftijd had gemaakt. Een warme gloed doortrok mijn wangen.
Op slepende toon en keurig gearticuleerd gaf ze antwoord: ‘Dat kunt u wel zeggen. Om te beginnen met de IJsvogel (http://www.vpro.nl/speel.WO_VPRO_042282.html) vanaf vliegveld Tjililitan te Batavia (http://nl.wikipedia.org/wiki/Batavia_%28Nederlands-Indi%C3%AB%29).’
‘U hebt in Nederlands-Indië gewoond!’ riep ik blij.
Dit keer oogstte ik een verwonderde blik terwijl ze resoluut knikte, ‘Dat heb ik al zo lang niet meer gehoord, dat iemand het zo vanzelfsprekend over Nederlands-Indië heeft… Mijn kinderen corrigeren mij als ik het zo benoem, ze willen dat ik het over voormalig Nederlands-Indië heb of over Indonesië. De kinderen zijn allemaal heel geslaagde mensen en ze willen nu eenmaal een modern leven leiden.’

Zoals al eerder in de boekwinkel, negeerde ik ook nu het ‘voormalig’ en ik ging helemaal los. Ik vertelde over mijn ooms en tantes die in Nederlands-Indië hadden gewoond, noemde namen van overledenen, inmiddels in onbruik geraakte plaatsnamen en lardeerde mijn enthousiaste mededelingen met een paar smakelijke Indische anekdotes. Het voelde bijna alsof ik zelf de tempo doeloe had meegemaakt. En ondertussen merkte ik te laat dat er van opzij geen enkele reactie meer doorkwam.

De oude dame was stil gevallen. Haar ijsblauwe blik fixeerde zich een kort moment op mijn hoofd en ik meende daaraan te kunnen aflezen dat ze mij maar een wijsneus vond, ronduit merkwaardig en wellicht zelfs een beetje obscuur, waarna ze op bitse toon uitsprak: ‘U ziet er helemaal niet Hollands uit.’
Nu was het aan mijn kant stil. Wat krijgen we nou, dacht ik bij mezelf, dat heeft nog nooit iemand tegen me gezegd. Intussen dwaalden mijn gedachten af naar mijn lichaamslengte die bepaald niet Hollands te noemen is, mijn min of meer ronde gezicht, naar de diverse Hugenoten in mijn grootmoeders familie en die ene Venetiaan die in 1800 de bloedlijn van mijn moeder had verrijkt (creativiteit!). ‘Wellicht komt het door de Hugenoten,’ opperde ik voorzichtig.
Maar mijn poging tot uitleg strandde jammerlijk want, mevrouw keek uit het vliegtuigraampje en bleef dat doen tot we elkaar bij het uitstappen nog eenmaal een zuinig ‘Dank u’ en ‘Goedendag’ toewensten.

Beide verhalen was ik onderhand vergeten oftewel ik had ze verdrongen, totdat ik laatst (bijna 20 jaar later) een reactie kreeg vanwege mijn blog waarin ik Nederlands Indië aanroerde. In de bewuste email stond het weer: ‘Wat ik vooral leuk vond was het gedeelte over die mensen uit Nederlands Indië (voormalig)’ Het was alsof ik een stevige por kreeg, wakker schrok en dat de eerdere ervaringen met dat woordje ‘voormalig’ mij opeens weer helder voor ogen stonden. Nu wilde ik het weten. Ik kreeg het idee om hierover een vraag te stellen aan het vermaarde ‘Onze Taal’ (https://onzetaal.nl/). Zie hieronder mijn vraag:

‘Een paar keer ben ik min of meer subtiel erop gewezen dat Nederlands-Indië vooraf dient te worden gegaan door het woord ‘voormalig’. In historische context kan ik mij er iets bij voorstellen dat “men” vlak na de dekolonisatie wilde voorkomen dat Nederlanders hardnekkig over Nederlands-Indië zouden blijven spreken, terwijl het intussen Indonesië moest zijn. Maar dit ‘politieke motief’ is achterhaald. Mijn vraag is daarom of dit fenomeen een taaltechnische achtergrond heeft?’

En het antwoord volgde prompt:

Naar ons idee is ‘Nederlands-Indië’ een historische aanduiding. Er zijn geen echte taaltechnische argumenten op grond waarvan je een historische aanduiding altijd van het woord ‘voormalig’ zou moeten voorzien. Je kunt zonder problemen spreken over ‘het Romeinse Rijk’ of over ‘de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije’. Zeker in een historische context zou het vreemd zijn om er steeds ‘voormalig’ bij te zetten: ‘Augustus was de eerste keizer van het voormalige Romeinse Rijk’ doet zelfs potsierlijk aan. En het roept de vraag op: moet er voor ‘Augustus’ dan niet ook het woord ‘wijlen’ staan – hij leeft immers niet meer?

Kortom: wij vinden het vergezocht om ‘voormalig’ toe te voegen bij historische namen. Er is natuurlijk geen bezwaar tegen om dat wel te doen, maar het is geen verplichting.

Veel dank aan ‘Onze Taal’! Ik kan voortaan weer onbevangen spreken over ‘Nederlands Indië’ 😉