Zojuist gepubliceerd: Reis door de Sahara

Het begint allemaal op een ijskoude winterdag in Lunteren.

31 mei 2017. ‘Reis door de Sahara’ ligt in de schappen! Het gaat over een reis dwars door de Sahara (van Algiers tot aan Kano.

Het betreft een waargebeurd verhaal. Een verhaal over mannen die het avontuur aandurven, Arabieren die de helpende hand bieden, over de stompzinnige dwaasheid van de onnozele reiziger, over mannelijke rivaliteit, de gruwelijke schoonheid en gruwelijke wreedheid van de woestijn. Het is gebaseerd op (wederom) een setje memoires, ditmaal uit 1951, dat mijn vader (Jan van Bommel) na zijn dood achterliet. Het vertelt over een tijdperk, toen je als Europeaan nog ongehinderd door de Sahara kon reizen – als je het kon betalen. Dat is inmiddels allemaal voorbij, privéreisjes van Europeanen dwars door de Sahara staan gelijk aan zelfmoord.

Lees hierbij een beginstukje uit het manuscript. De ik-persoon is Jan van Bommel:

Reis door de Sahara
Een denkbeeldige rit door de Sahara

‘Lunteren, januari 1951. Ik ben net dertig geworden en woon weer bij mijn ouders. Voordat ik mijn bed inkruip, hebben we gegeten, gebabbeld en nog wat gedronken – noem het ons vaste ritme oftewel onze dagelijkse sleur. Het is ijskoud en stikdonker, ik lig te woelen in mijn krakkemikkige veldbed en ik staar maar wat richting het plafond, zonder iets te zien. Ik besef tot mijn spijt dat ik al op te jonge leeftijd kan terugblikken op een ‘veelbewogen’ leven. Ik val tegenwoordig moeilijk in slaap, dat komt door al dat gepieker. Maar dan, eindelijk, voel ik me wegzakken. Dieper en dieper.

Plotsklaps rukt een snerpend gerinkel me ruw uit mijn nachtrust. Omdat het veldbed in de woonkamer staat opgesteld, lig ik vlak naast het telefoontoestel. Na een kort rondtasten, heb ik de hoorn beet: ‘Dag Jan! Martens hier! Jij spreekt toch perfect Frans? Zeker sinds die stage in Frankrijk, toch?!’
Ik ben perplex. Een dozijn vragen schiet door mijn hoofd. Ik heb die man bijna zes jaar lang niet gezien of gesproken. Hoe weet hij mijn telefoonnummer, hoe weet hij dat ik in Frankrijk ben geweest, wat moet die kerel van me? En intussen tettert hij via het telefoontoestel gewoon door. Zijn verhaal geeft me het gevoel dat ik gesommeerd word om te doen wat hij wil.
Maar sommeren is helemaal niet nodig. Want als ik hoor wat Martens van plan is, snel ik overeind. Hij wil samen met me via Spanje en Frans-Marokko naar Nigeria rijden, dus diagonaal door de Franse Sahara. Vandaar dat hij mijn kennis van het Frans nodig heeft.
Voorzichtig vraag ik naar de voorzorgsmaatregelen tegen eventuele ziektes of infecties, die we moeten nemen, maar Martens geeft aan dat ik niet moet zeuren. Zoiets kost tijd en dan lopen we het risico te laat te zijn om de woestijn op een veilige manier te doorkruisen. We moeten snel zijn, want binnenkort kunnen er zandstromen uitbreken. Ik vraag door: hoe zit het met de vereiste vergunningen of visums. Dit is inderdaad een heikel punt, maar hij meent dat we maar moeten zien hoe dat zal gaan. Hij en onze medereiziger zitten krap bij kas en dat geldt vooral voor deviezen en juist deviezen heb je nodig voor de aanschaf van een visum en eventuele vergunningen. Alles moet op zijn goedkoopst. Dus overnachten in goedkope hotelletjes of desnoods in de auto, eten uit blikjes, water uit gebruikte flessen enzovoorts.

Ik vind het allemaal best en druk alle opborrelende bezwaren en vragen opzij. Ik ben al stikblij met deze unieke kans om naar Afrika te gaan. Ik laat me gewoon met de stroom meedrijven en ik zie wel hoe ik me zal redden. We spreken af dat Martens me samen met zijn reisgenoot komt ophalen en vlak voordat ik de telefoonhoorn neer leg, roept hij nog: ‘En neem voor de zekerheid al je spaargeld mee, het is heel handig om in die primitieve contreien iets achter de hand te hebben!’
‘Dat is dan driehonderd gulden, roep ik terug,’ waarna ik alleen maar een ‘klik’ hoor, die aangeeft dat Martens de verbinding heeft verbroken.

Als ik aan het ontbijt mijn ouders over de onverwachte uitnodiging vertel, stikken ze zowat in hun zojuist genomen hap. Ze zijn verbijsterd. Pa verklaart me voor gek: ‘Ik wed er een fles wijn op dat je over een paar weken weer bij ons op de stoep staat.’ Ik lach zijn bezwaren weg en negeer hem als hij op bezwerende toon roept dat Martens niets anders is dan een gewetenloze avonturier, die zonder wroeging, mensen zoals ik, het verderf in sleurt, ja hij zou zelfs een duivel zijn, volgens pa. Wat kan mijn vader toch overdrijven, hahaha!

Als op 18 januari 1951 een VW Kever, met daarin twee mannen, komt voorrijden, weet ik zeker dat er een kentering is gekomen in mijn zieltogend bestaan. Terwijl de natte sneeuwvlokken op mijn hoofd en schouders neer dwarrelen, wip ik opgewekt de auto in. Ik maak nog een korte zwaai richting mijn ouders, die verdwaasd bij hun voordeur toekijken, hoe hun zoon volkomen onverwacht het avontuur wordt ingezogen.’

Zie ook hier de achterflaptekst.