1944 – Een reis door het stervende Nazirijk (deel 1)

Kwekerijweg te Den Haag, 1944
Het ouderlijk huis van Jan van Bommel (de ambtswoning van de directeur van de plantsoenendienst), Kwekerijweg in Den Haag, juni 1944. Jan met zijn moeder Dina.

Inleiding
Deze blog gaat over een schijnbaar onbekommerde reis die mijn vader in juli 1944 maakte door Nazi-Duitsland. Ik kan mij voorstellen dat mensen hiervan schrikken, of het uit aversie niet willen lezen. Het is dan ook geen politiek correct verhaal, maar een verhaal dat zo authentiek mogelijk wordt verteld – namelijk zoals mijn vader het in zijn memoires heeft verwerkt. Hiermee is het verhaal een ‘stukje’ mentaliteitsgeschiedenis wat het volgens mij boeiender maakt dan een verslag dat overgoten wordt met een vracht historische uitleg om het een en ander in het juiste perspectief te plaatsen. De moderne lezer is mijns inziens wereldwijs genoeg om een eigen oordeel te vellen.

image-2016-08-03(1)
De scheepskist

De memoires (een uitgetikte versie uit de jaren tachtig) bewaar ik sinds het overlijden van mijn vader (april 2007) in een 150 jaar oude scheepskist, op een veel te warme zolder en gedurende de voorbije jaren heb ik ze hoogstens wat doorgebladerd. Ik werd pas de afgelopen weken geconfronteerd met delen van de inhoud (met dank aan de vakantie). Wat erin staat lijkt niet schokkend – maar al lezend kreeg ik op onderdelen toch wel een ongemakkelijk gevoel. Hij reisde als civilist, maar opeens lees ik dat hij de rang van Sonderführer bekleedde. Huh?! Dat wist ik niet. Maar na wat onderzoek bleek het weer mee te vallen. Blijkbaar had hij dit bij de Duitse autoriteiten in Den Haag weten te regelen om zo makkelijker door het Duitse Rijk te reizen. Zover ik kon nagaan had hij niet eens uniform. Een Sonderführer was een ‘vergaar-rang’ voor iedereen die niet in het reguliere rangensysteem van Nazi-Duitsland paste. Het was bedoeld voor experts op allerlei gebied. Zo ontmoette mijn vader een Sonderführer in Oekraïne die cabaret en theater voor de Duitse troepen regelde.

In juni 1944 was mijn vader bij zijn ouders thuisgekomen na een turbulent avontuur in Oekraïne, waar hij geroken had aan het bestaan als tabakshandelaar – ‘de wereld van Peter Stuyvesant’ in oorlogstijd. Sindsdien was hij erop gebrand om carrière te maken, om zijn enerverende ervaring in de tabak voor te zetten. Maar de oorlog maakte dit moeilijk en carrière kon je alleen maar maken als je je met de Duitsers inliet. Hieronder volgt een bewerking van een klein deel van de memoires van een Nederlander die het voor elkaar kreeg om in juli 1944 kriskras door het stervende Derde Rijk te reizen – alsof zoiets doodgewoon was. Uit dit verslag rijst een enigszins verbaasde en tegelijkertijd resignerende toon op, een toon die volgens mij overeen komt met de mentale conditie van veel Duitsers in die laatste zomer van het Duitse Rijk.

Hij vertrok samen met een vriend (Sam) uit het gemoedelijke Den Haag met twee doelen: (1) om bagage op te halen die ze een maand eerder hadden achterlaten bij het oversteken van de grens tussen Hongarije en het Duitse Rijk – vooral tabak en pakjes sigaretten (Ukraine-Zigaretten, goud waard in de ruilhandel) en (2) om een baan te zoeken. Ze reisden via Wenen, Berlijn, Potsdam, Königsberg en Karlsruhe. Terwijl honderdduizenden wegkwijnen in vernietigings- en strafkampen en het Oostfront verandert in een gigantische gehaktmolen, heerst er in het Nazirijk een griezelige kalmte, de stilte voor een perfecte storm. Niets is meer over van de trots, de pracht en praal en de verwaandheid. Het is slechts een Rijk in afwachting van zijn verschrikkelijk einde.

De laatste zomer
“Den Haag. Op 6 juli 1944 krijgen mijn vriend Sam en ik het vurig gewenste visum om door het Duitse Rijk te reizen. We hebben zelfs – omdat de Duitsers ons zien als tabaksexperts (!) – de status van Sonderführer gekregen! Het is een handig instrument om ‘lekker’ door te kunnen reizen.  In mij gloeit er een onstuimig enthousiasme. Ik sta te trappelen om zo snel mogelijk weg te komen uit dit volslagen kneuterige Den Haag, weg van die beppende ouders en om zo snel mogelijk aan de slag te kunnen in de tabak. Hoe en waar dan ook, het maakt mij niets uit. We hebben gehoord dat er mogelijkheden zijn in Estland. Dus wie weet…

Köln, Ruinen zerstörter Gebäude, Dom
Keulen rond 1944, in de buurt van het station, bron: Bundesarchiv, wikipedia (Luftangriffe_auf_das_Ruhrgebiet)

Met vertraging vertrekken we met de trein uit Den Haag en daarmee missen we bijna onze aansluiting in Arnhem. Door ons als laatsten in de volle trein naar binnen te wurmen, zijn wij aanvankelijk veroordeeld tot een staanplaats, maar in Emmerich stappen een aantal treinpassagiers uit, waardoor we toch nog een zitplaats weten te bemachtigen. Wat een geluk. Want in Duisburg kolkt er een mensenmassa de trein in waardoor de staanplaatsen veranderen in een sardineblik. Het verbaast ons dat er nog zoveel mensen met de trein reizen, terwijl we te horen kregen dat het zo moeilijk is om aan een reisverlof te komen. Het reizen voor burgers is heel erg ingeperkt door het tekort aan reguliere passagierstreinen. Veel van die treinstellen zijn beschadigd of worden gebruikt voor troepentransport. Na Duisburg passeren we Düsseldorf, Keulen enzovoorts. De steden die aan ons voorbij trekken, zien er deerniswekkend uit. Langs de spoorlijn en vooral rondom de stations zijn veel gebouwen kapot gebombardeerd. Ik zie overeind gebleven schoorstenen waar omheen de gebouwen verpulverd lijken, de schoorstenen nemen hierdoor de vorm aan van uitgestrekte armen die in een jammerklacht naar de hemel reiken. Wat blijft er nog over van deze historische steden, vraag ik mij af. En wat kan het de Amerikanen, die dit vooral hebben veroorzaakt, schelen – zij hebben toch geen benul van de Europese geschiedenis.

Een ongerept Duits landschap, bron: oude ansichtkaart

Wenen
In onze trein heerst op deze warme zomerdag een haast tropische hitte. Niet prettig als je zo opeen gepakt zit, maar gelukkig staan alle ramen open anders was het niet te harden geweest. De wind wervelt speels door mijn haar en laat mij in een lome rust wegzakken. Na Wiesbaden neemt de drukte in de trein merkbaar af. We doorkruisen een mooi, glooiende landschap dat er zo vredig bij ligt, waardoor je haast zou vergeten dat er een verwoestende oorlog aan de gang is. Deze scherpe tegenstelling verward mij en maakt mij somber. Terwijl we door de nacht voort stomen, lukt het mij niet om te slapen – het is veel te warm. Om 8.40 uur in de ochtend rijden we het centraal station van Wenen binnen, waar we bij het bureau voor vreemdelingenverkeer informeren waar we een hotelkamer kunnen vinden. Maar we krijgen te horen dat alles bezet is. We gaan daarom zelf op zoek en op de Opernring (onder deel van de Ringstrasse) weten we, met het aanbieden van een pakje Ukraine-Zigaretten aan een portier, een behoorlijke hotelkamer met bad en wc te vinden.

Gloriette_Schönbrunn_Wien
Gloriette_Schönbrunn_Wien, © Thomas Wolf, www.foto-tw.de „CC BY-SA 3.0 DE“

Nadat we wat gerust hebben, gaan we naar Schönbrunn. We bekijken het voormalige keizerlijke paleis en bewonderen de Gloriette. We komen veel wandelde militairen tegen, die zo te zien, met gewoon verlof of ziekteverlof zijn. Overal zie je pleisters of verband en diverse armen of benen zitten in het gips. Deze stad is nog nooit gebombardeerd, vertelt men ons en dat maakt de sfeer zo ontspannen.”

—– Dit is een misvatting. De industriële buitenwijken van Wenen waren inmiddels enkele keren gebombardeerd. En vanaf 1945 viel Wenen ten prooi aan hevige bombardementen waardoor zo’n 20% van de stad vernietigd werd —————–

Heinz Rühmann, bron: Wikipedia

“We lopen door naar de Prater en klimmen in het reuzenrad, om Wenen van bovenaf te zien. Je kunt je hier echt nog amuseren. Maar ik denk dat ze het alleen maar in stand houden voor de militairen die op verlof zijn. Om elf uur ploffen we doodmoe in bed. De volgende dag (10 juli 1944) gaan we naar de transportonderneming waarheen onze bagage zou worden gestuurd. Het is een grote teleurstelling. Er is niets aangekomen en ik vraag me af of we ooit nog iets van onze tabak en de sigaretten zullen terug zien. Als troost trakteren we onszelf op een grappige bioscoopfilm waarin Heinz Rühmann acteert. Die avond eten we best goed in een eettent waar ook een cabaret wordt opgevoerd. De drank die ze daar serveren is erbarmelijk en het kost ons ook nog eens zeven Rijksmark per glas! Op 11 juli betalen we onze hotelrekening en pakken we de trein richting Berlijn.”

-Het hiervoor staande is een bewerking van de memoires van Jan van Bommel-

Zie hier voor deel 2, deel 3 en deel 4.